» 05 05 2004
»
» deel op twitter
» deel op facebook
Buiten tikt de regen. Binnen is het vol voor dit uur. iPod speelt een liedje van The Notwist. En ik probeer mijn gedachten te ordenen. Al heb ik eigenlijk geen idee waar die ordening dan toe moet leiden. Het raam toont een lentegroen landschap, en vooral heel veel regendruppels die langzaam voorbij trekken. Met duizenden vormen ze een fijnmazig patroon. Als God in Nederland had gewoond had hij het over regendruppels in plaats van zandkorrels gehad tegen Abraham, vermoed ik.
We sukkelen een station binnen. Bij het verlaten van het station rijdt een andere trein even naast ons. Ooit heb ik iemand horen schreeuwen, toen twee treinen zo dicht bij elkaar reden dat we gingen botsen. Dat viel wel mee. Het is gewoon een vorm van aapjes kijken. Gedurende enkele momenten passeren mensen aan je blik die je nog nooit gezien hebt en ook nooit meer zal zien. Je hebt geen enkele reden naar ze te kijken. En toch wint de nieuwsgierigheid het. Altijd even kijken wie daar zit. Tot de treinen elk hun richting gaan, en je enig metgezel de regendruppels zijn.