Tussen de geverniste loopjongens

Uit de tombola van de leesclub kwam de winner van de Booker-prize van 1997: De God van Kleine Dingen van Arundhati Roy. Een moderne klassieker, postkoloniale literatuur in een Indiase setting eind jaren ’60.

In De God van Kleine Dingen maken we kennis met een tweeling, Estha en Rahel. Vanuit hun perspectief als zevenjarigen bekjken we de wereld, en vooral hun familie. Meerdere generaties bevolken het boek: hun ouders, hun grootouders en overgrootouders. Dan nog ooms, tantes en nichtjes. Toen ik serieus aan het boek begon, begon ik een stamboom te maken. 

Zoals Tolstoj schreef is iedere ongelukkige familie ongelukkig op z’n eigen manier en dat is hier zeker van toepassing. Alle oudere familieleden dragen hun trauma’s mee en dat blijft grotendeels onbesproken. Ergens deed het ook denken aan Couperus’ Van Oude Mensen, waar ook in een koloniale setting een familiegeschiedenis wordt verteld. Want India is onafhankelijk maar the Empire is zeker niet vergeten. Het boek is vol van status, klasse, standen en restanten van kolonialisme.

De tweeling dan. Het boek werkt zo’n tweehonderd pagina’s toe naar het moment dat ze hun nichtje Sophie Mol van het vliegveld gaan halen, met hun familie. Het nichtje komt op bezoek vanuit Engeland, en zal, zo weet de lezer al vanaf de eerste pagina, overlijden in India. Want de tweeling is dan nog niet besmet met de doem die boven de familie hangt, duidelijk is wel dat het niet goed af zal lopen. 

Het is een vol boek dat niet snel leest. Laat ik als voorbeeld de eerste paar zinnen uit het hoofdstuk 3 opnemen:

Vuil belegerde het huis in Ayemenem als een middeleeuwse leger dat een vijandelijk kasteel belaagt. Het verstopte ieder spleetje en koekte aan de ruiten.
In theepotten zinderden mugjes. Lege vazen zaten vol dode insecten.
De vloer kleefde. De witte muren waren plekkerig grauw geworden. Koperen scharnieren en deurkrukken waren dof en voelden plakkerig aan. Zelden gebruikte stopcontacten zaten dichtgeklonterd met smurrie. Op de gloeilampen zat een vettig laagje. Het enige wat glom waren de enorme kakkerlakken die rondrenden als geverniste loopjongens op een filmset. 

Uit dit citaat vallen twee dingen op: de lastige taal en de nadruk op smerigheid. Die laatste speelt in het hele boek: veel verval, narigheid en vuil. 

Dit boek werd door de stijl niet de pageturner die ik even las terwijl ik in de hogesnelheidstrein naar Londen zat. Mooi geschreven, maar te zwaar om door te blijven lezen. Bij bespreking in de leesclub had ik ongeveer de helft gelezen. Genoeg om een indruk te hebben en een gesprek te voeren, maar als ik de wiki-pagina lees zit er nog een behoorlijk plot in de tweede helft van het boek. Ik vrees dat die sneuvelt omdat ik al weer onderweg ben in een volgend boek.


Commentaar

Fediverse Reacties

Geef een reactie

Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Om te reageren op je eigen site, voer de URL van je reactie in die een link naar de permalink URL van dit bericht moet bevatten. Je reactie verschijnt dan (mogelijk na moderatie) op deze pagina. Wil je je reactie updaten of verwijderen? Update of verwijder je bericht en voer de URL van je bericht opnieuw in. (Meer informatie over Webmentions.)


Backlinks

[backlinks]