Vandaag las ik Butcher’s Crossing uit, een van de andere romans van John Williams, die met Stoner postuum doorbrak in het afgelopen jaar.

*

Een roman in Kansas en Colorado, in de 19e eeuw, in de tijd van de bisonjacht. Het stadje Butcher’s Crossing dankt zijn bestaan aan een economisch systeem dat drijft op het afschieten van bisons en verkopen van de huid. De nieuwkomer Will Andrews, afkomstig van de Oostkust, arriveert er met een doel: het echte leven leren kennen. En dus gaat hij mee de bergen van Colorado in, om bisons te jagen.

Nederland is geciviliseerd landje waar wilde natuur niet bestaat en het meest gevaarlijke dier vermoedelijk een niet aangelijnde hond is. Mythes over de kolonisatie van land met bruut geweld daar doen we niet aan. De sprong naar 19e eeuws Amerika is groot. En waar ik me voor kan stellen dat Williams in 1960 in de VS iets los kon maken door in een boek als dit de zinloosheid van het ongeremd doden ter discussie te stellen, is dat hier anders. Jacht is  bijna taboe.

(Verder is het verschil minder groot hoor. Geen jacht, maar wel bioindustrie en geimporteerd bont. Niets verandert).

*

Het verhaal zit vol van details. Eten (gedroogde zoute bonen met bacon) wordt tot in detail beschreven, bij herhaling, totdat de herhaling je net zo tegen zit als de mannen die dit dieet werkelijk volgenden. 

*

Het verhaal is lineair. Geen meerdere perspectieven, geen noemenswaardige flashbacks. Gemakkelijk in een dag te lezen. Pageturner. Maar ook niet echt verrassend: plotwendingen laten zich wel vaak aan zien komen. Een fijn boek, zeker omdat ik weinig las over het Wilde Westen, maar ook niet de 5 sterren waard die NRC gaf.