Vorig weekend was een goed moment om een stapeltje boeken te kopen. Ondertussen ben ik anderhalf boek onderweg. Het eerste dat ik las was 1.177 v Chr: het einde van de beschaving. Over hoe in de bronstijd de beschaving in het Nabije Oosten instortte, ruim 3.000 jaar terug.

Cline leidt de lezer in soepel tempo langs 400 jaar heersers en kleitabletten in Griekenland, Turkije, de Levant en vooral Egypte. Iets dat een fascinerend beeld geeft van mensen die bijna allemaal vergeten zijn (alleen Toetanchamon en enkele collega farao’s zullen nog op enige naamsbekendheid kunnen rekenen, maar dat is vooral te danken aan Hollywood en de vernoeming van enkele shoarmazaken naar deze farao’s). De details zijn het mooiste: het waren net mensen, in die tijd.

Net als bij mijn bespreking van Van Abraham tot Jezebel: je hebt voorstellingsvermogen nodig om er iets van te maken. Dat doet Cline op een toegankelijke manier, maar misschien hij is te veel gefocust op zijn centrale vraag waarom de beschaving instortte rond die tijd (zie wiki voor een korte omschrijving van de meest genoemde oorzaken). Hoewel hij enige aandacht besteed aan interessante anekdotes, hadden er daar van mij nog veel meer in gemogen.

Daarmee laat het boek ergens iets ontevredens achter: geschreven bronnen uit die periode zijn beperkt (ondanks duizenden kleitabletten en hyrogliefen) en archeologie treft maar een klein deel van de resterende spullen aan. Bovendien graven archeologen door 3.000 jaar geschiedenis heen in landen waar ook nu weer de beschaving op haar grondvesten trilt. Er blijft niet al te veel over, en dus is het bezoek aan het toen vergeven van mitsen en maren.