‘Wat was dat?’ vraagt B als we met 70 door de stad snellen.

‘Een haas’ antwoord ik ‘er ligt een dode haas op het wegdek. Ik probeerde er om heen te sturen, maar dan rij je er natuurlijke net overheen’.

*

Vanochtend. Ik accelereer en denk niet na maar kijk naar de weids uitgespannen wolken. Tik.

Achteruitkijkspiegel. Opnieuw.