Fragmenten uit de detectiveroman die ik nooit zal schrijven

De kamer is grijs van binnen. Lang is het geleden dat er iemand binnen kwam. De houten deur vertoont sporen van inbraak. Maar die moet mislukt zijn, getuige het slot dat er nog op zit. Het is roestig, en zit muurvast. Op de grond liggen papieren, versnipperd en sommigen half verbrand. Ik pak een paar van de papieren uit een hoek. Vervaagde letters op vergeeld papier. Een typmachineletter. De tijd heeft het allemaal weinig goed gedaan.

In het dorp slaat een kerkklok. Elk kwartier slaat deze, al 134 jaar onafgebroken. Steven Maalker werpt een blik op zijn horloge, en bedenkt zich dat hij nog 10 minuten heeft om de krant uit te lezen. Daarna moet hij gaan. Op tijd zijn is een belangrijke kwaliteit in het circuit.

Het licht van de straatlantaarns spiegelt op de verregende straten. Op de stoep snelt een man voorbij. Hij kijkt niet om zich heen, maar loopt met zijn handen in zijn zakken en zijn hoofd weggestopt in de kraag van zijn jas naar de hoek van de straat. Daar steekt hij over en gaat de achterdeur van de nachtclub in.


Comments

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *