Sommige geografen kijken al jaren jaloers naar historici als Geert Mak, Maarten van Rossum en David van Reybrouck, die met samenhangende verhalen een groot publiek weten te bereiken en weten te interesseren voor hun vakgebied. Waarom, vragen zij zich af, zijn er geen geografen die met een dergelijke grote greep het publiek voor hun vak interesseren?

Terug naar de Stad van stadsgeograaf Jos Gadet is een titel die de stadsgeografie voor een groot publiek toegankelijker maakt. Gadet schreef een boek over de ruim dertig jaar dat hij in Amsterdam woont en werkt. In die tijd veranderde Amsterdam van een plek waar weinigen wilden wonen naar de populairste stad van het land (in prijzen uitgedrukt dan). Gadet voorziet alle ontwikkelingen van uitleg en kritische opmerkingen. Verschillende kenmerkende straten in Amsterdam zijn het startpunt voor 7 hoofdstukken waarin het stadse leven wordt beschreven. Dat is bijzonder, want de meeste boeken die over steden worden geschreven zijn reisgidsen met een beperkte reikwijdte of nostalgische boeken vol zwart wit-foto’s. De hang naar nostalgie weet Gadet grotendeels te voorkomen.

De hoofdstukken struinen in een prettig hoog tempo langs theorieen, lokale situaties en persoonlijke anekdotes. Wie iets over de stad wil vertellen, moet er zelf deel van zijn. En dat is een verfrissende werkwijze in de geografie, waar de lijdende vorm gangbaar is en een grote voorkeur bestaat voor statistieken. Het enige alternatief wat daar tegenover staat is de marketingtaal van vastgoedontwikkelaars en ruimtelijke ontwikkeling.

Voor de ‘geinteresseerde leek’ is dit een prima verhaal over de stad Amsterdam en de manier waarop Amsterdam functioneert. Goede kennis van Amsterdam helpt wel, gezien de grote hoeveelheid plaats- en straatnamen. Of Google Streetview erbij houden tijdens het lezen.

Hoewel ik enthousiast ben over de werkwijze, zijn er behoorlijk wat onderdelen waar Gadet kort door de bocht gaat. Hij heeft nogal wat kritiek op de Westelijke Tuinsteden, Zuidoost en Almere. Kritiek die nogal overkomt als ‘achteraf’, en die vooral weinig ingaat op alternatieven. Het lastige aan planologie / stedenbouw is dat het maar één keer kan: de ruimtelijke structuur van een stad verandert daarna maar heel langzaam. De keuze om Almere uit te laten groeien tot een stad van 190.000 inwoners in 2012 is een keuze met duidelijke nadelen. De eerste vraag die je daarover kan stellen is of iemand ooit ergens expliciet die keuze heeft gemaakt (nee, dat is een proces), en de tweede, veel belangrijker vraag is: wat was het alternatief geweest? Hoe had de regio Amsterdam eruit gezien als het zich volgens de ideeen van Gadet had ontwikkeld? Elk antwoord daarop is speculatief omdat de geschiedenis nu eenmaal zo is gelopen, maar gezien de hoeveelheid kritiek van Gadet zou zo’n what-if-verhaal wat verder uitgewerkt kunnen worden.

Leukste en meest toepasbare idee vind ik het 180-graden-moment: het punt in de stad waar je een breekpunt ervaart tussen twee verschillende bouwperiodes en tussen twee verschillende ideeen over hoe de stad gebouwd moet worden. In Utrecht heb ik er ondertussen ook verschillende benoemd. Hier is er eentje. Kunt u ze ook aanwijzen in uw stad?